Formatie van Oosterhout

BeschrijverJ.H.J. Ebbing & F.D. de Lang(download pdf)
Laatst bijgewerktMaart 2003
NaamOosterhout
RangFormatie
Naam van de moedereenheidBoven Noordzee
Rang van de moedereenheidGroep
CodeOO
Oorsprong NaamDe Formatie van Oosterhout is door Doppert et al. (1975) ingevoerd. Ze kwam in de plaats van afzettingen die eerder Zanden van Kattendijk, Luchtbal, Kallo en ten dele de Formatie van Merksem werden genoemd. Het glauconietrijke deel van de Zanden van Kattendijk worden nu tot de Formatie van Breda gerekend.

Beschrijving lithologische kenmerken

Algemeen
  • Zand, zeer fijn tot zeer grof (105 - 420 µm), spoor tot veel schelpgruis en schelpen, spoor tot weinig glauconiethoudend, lichtgrijs tot grijsgroen.
  • Zand, zeer fijn tot zeer grof (105 - 420 µm), kleiig, spoor tot veel schelpgruis en schelpen, spoor tot weinig glauconiethoudend, lichtgrijs tot grijsgroen.
  • Klei en zandige klei, zwak tot sterk siltig, donkergrijs tot grijsbruin.
  • Schelpenbanken, enkele decimeters tot > 10 meter in dikte.
Dominant
  • Zand, zeer fijn tot zeer grof (105-420 µm), spoor tot weinig schelpgruis en schelpen, spoor glauconiet, grijs en grijsgroen.
Ondergeschikt
  • Schelpen ("crag"-afzetting).
  • Zand, zeer fijn tot matig grof (105-300 µm), geelgrijs, grijs tot donkergroen, weinig tot veel schelpgruis en schelpen, weinig dunne klei- en leemlagen, spoor tot zeer veel glauconiet, zwak tot matig siltig.
  • Zand, zeer fijn tot matig grof (105-300 µm), siltig, kalkloos, spoor tot veel (aan de basis) glauconiet, spoor glimmer, lichtgroen tot groengrijs, aan de top bruingrijs en donkergrijs en locaal wit, plaatselijk kleilaagjes, zwak tot sterk zandig.
  • Klei, matig slap tot stevig, matig tot uiterst siltig, veel glimmers, grijs tot donkergrijs, spoor tot weinig schelpgruis en schelpen.
Sporadisch
  • Zand, matig grof (210-300 µm), okergeel tot roodbruin, harde sterk ijzerhoudende banken en weinig tot veel schelpen bevattend.
  • Glimmers.
  • Bruinkoolbrokjes.
  • Zandsteenlagen, dun en dik, komen voor aan de top van de klei beschreven in ondergeschikte lithologie.

Definitie en aard van de grenzen

OndergrensDe afzettingen van de Formatie van Oosterhout liggen op zandlagen van de Formatie van Breda. De grens is scherp indien de basis van de afzettingen van de Formatie van Oosterhout uit klei of schelpen bestaat. Indien de basis uit zand bestaat, is de overgang naar zand van de Formatie van Breda geleidelijk; dan wordt de grens gekenmerkt door een toename van het glauconietgehalte en een afname van het schelpengehalte naar beneden. Indien de Formatie van Oosterhout en Breda beide kleiig ontwikkeld zijn (West-Nederland) wordt de grens tevens op basis van het toenemende glauconietgehalte (gammalog) bepaald.
BovengrensDe bovengrens met grijze schelphoudende fijne tot grove zanden met weinig klei-inschakelingen van de Formatie van Maassluis is scherp indien ze wordt gevormd door een donkergrijze tot grijsbruine kleilaag (Laagpakket van Wouw). Indien deze kleilaag ontbreekt is de overgang geleidelijk en wordt dan gekenmerkt door een sprong in korrelgrootte van fijn zand naar grover zand, het vrijwel ontbreken van glauconiet en een gewijzigde schelpassociatie.
Daar waar de afzettingen van de Formatie van Oosterhout worden bedekt door fluviatiele afzettingen (Formaties van Peize en Waalre en de Kiezeloöliet Formatie) is de grens scherp. Als de formatie bedekt wordt door de Formatie van Stramproy (locaal in Zuidwest-Nederland) is de grens veelal minder scherp; de Formatie van Stramproy bestaat dan uit locaal omgewerkt materiaal uit de Formatie van Oosterhout.
In Zeeuws-Vlaanderen komt de formatie lokaal aan het maaiveld voor.

Overige kenmerken

Kenmerkende eigenschappenOver het algemeen heeft de ondergrens van de Formatie van Oosterhout in een boorgatmeting een typerende karakteristiek. De ondergrens is op een gammastralingscurve meestal abrupt en wordt gekenmerkt door een duidelijke verhoging van de natuurlijke gammastraling. Dit wordt veroorzaakt door het hoge glauconietgehalte in de afzettingen van de Formatie van Breda.
De zanden beschreven in ondergeschikte lithologie vertonen vaak een door mariene organismen verstoorde gelaagdheid (bioturbatie).
Kenmerkend is verder het voorkomen van zeeëgelstekels, bryozoënresten en Ditrupa subulata (wormbuisjes).
Regionale lithologische verschillenVan de randen van het verbreidingsgebied naar West-Nederland gaan voornamelijk zanden en kleiige zanden over naar zandige kleien tot kleien. In Zuidwest-Nederland en locaal elders komen de zogenaamde “crags”, dikke schelpenlagen, voor.
Het voorkomen van zand, matig grof (210-300 µm), okergeel tot roodbruin, harde, sterk ijzerhoudende banken, regelmatig schelpen bevattend, is beperkt tot Zeeuwsch-Vlaanderen (locatie de Kouter in Nieuwnamen).
Binnen de Formatie van Oosterhout worden de volgende laagpakketten en lagen onderscheiden;
  • Het Laagpakket van Sprundel; dit Laagpakket omvat de schelpenbanken ("crags"). Het bevat o.a. de kenmerkende schelpensoorten Nassarius, Lentidium complanatum, Turritella triplicata en Chlamys (MOL.C+D; Spaink, 1975).
  • Het Laagpakket van "Lievelde"; zand, zeer fijn tot matig fijn, zeer goede sortering, kalkloos, grijs tot wit, verkiezelde niveaus. Het Laagpakket van Lievelde komt in de plaats van de Afzettingen van Lievelde (Van den Berg & Gaemers, 1993) en tenminste een deel van de informeel ingevoerde Afzettingen van Nieuweschans (Bosch, 1990). Deze afzettingen betreffen kustnabij gevormde sedimenten. Dit laagpakket komt niet geheel overeen met de Afzettingen van Lievelde cf. Van den Berg & Gaemers (1993) en zal in de toekomst een andere naam krijgen.
  • Het Laagpakket van Wouw; klei, matig tot uiterst siltig, matig slap tot stevig, grijs tot donkergrijs, spoor tot weinig schelpen, glimmers. Het Laagpakket van Wouw wordt ingevoerd voor de klei aan de top van de formatie.
DikteMinder dan 1 tot meer dan 150 m dik.

Typelocatie(s)

HolostratotypeBoring 44D0177 te Oosterhout, traject 106,60 – 262,00 m beneden maaiveld.

Holostratotype 44D0177 van de Formatie van Oosterhout (klik op de afbeelding voor vergroting)

ParastratotypeBoring 44D0214 te Oosterhout, traject 111,00 – 183,00 m beneden maaiveld.

Parastratotype 44D0214 van de Formatie van Oosterhout (klik op de afbeelding voor vergroting)

HypostratotypeBoring 43H0063 te Klundert, traject 112,00 – 176,50 m beneden maaiveld.

Hypostratotype 43H0063 van de Formatie van Oosterhout (klik op de afbeelding voor vergroting)

Geografische verbreiding

Geografische verbreiding van de Formatie van Oosterhout
Geografische verbreiding van de Formatie van Oosterhout (open in pdf)

Genese voor zover relevant voor de faciësinterpretatie

De afzettingen zijn deels gevormd in een kustnabije zee. De kleilaag (Laagpakket van Wouw) die langs de randen van het voormalige mariene bekken vaak aan de top van de formatie voorkomt, bevat in zuidwest Nederland een kenmerkende “stormzand”gelaagdheid. Deze kleilaag gaat naar het westen toe geleidelijk over in de vrijwel geheel uit klei bestaande sedimentfaciës behorende tot het centrale, diepere, deel van het oorspronkelijke sedimentatiebekken. De genese van de “crags” is nog niet geheel duidelijk. Mogelijk zijn ze onder stormcondities afgezet (rip-deposits) (Hodgson, 1989).
Het okergele tot roodbruine (kleur als gevolg van postsedimentaire bodemvorming) matig grove zand is een strandafzetting. Het zand zoals beschreven in ondergeschikte lithologie is zeer kustnabij afgezet (strand en delta/estuarium).

Samenhang met andere lithostratigrafische eenheden

Relatie tot andere eenhedenDe Formatie van Oosterhout cf. Doppert et al. (1975) komt geheel of gedeeltelijk overeen met de volgende formaties in het buitenland: Formatie van Lillo en Formatie van Kattendijke (België), Trimley Sands, Corraline Crag en Red Crag (Groot-Brittannië). De Formatie van Oosterhout komt overeen met een deel van de Brielle Ground Formatie cf. Long et al. (1988).
Mogelijke verwarring met andere eenhedenVertandingen met de Kiezeloöliet Formatie in Zuid-Nederland. In Noord- en Oost-Nederland komen vertandingen met afzettingen van de Formatie van Peize voor.

Relatie tot eerder beschreven eenheden

Naam van de eerder beschreven eenhedenNaast de afzettingen van de Formatie van Oosterhout, zoals beschreven door Doppert et al. (1975) omvat de huidige Formatie van Oosterhout de Afzettingen van Lievelde, Formatie van Scheemda cf. Van den Berg & Gaemers (1993).
Oorspronkelijke literatuurverwijzingDoppert, J.W.Chr., G.H.J. Ruegg, C.J. Van Staalduinen, W.H. Zagwijn & J.G. Zandstra, 1975, Formaties van het Kwartair en Boven-Tertiair in Nederland. In: W.H. Zagwijn & C.J. van Staalduinen (red.), Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Ouderdom

Laat Mioceen en Plioceen.

Literatuur

Bisschops, J.H., J.P. Broertjes, & W. Dobma, 1985, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000 Blad Eindhoven West (51 W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Bosch, J.H.A., 1990, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Assen West (12W) en Blad Assen Oost (12O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Brouwer, G.C., 1970, Geologie van de diepe ondergrond. In: Verbraeck, A., Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Gorinchem Oost (38 O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Cagliardi, R., 1971, Geologie van de diepe ondergrond. In: Verbraeck, A. & J.H. Bisschops, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Willemstad Oost (43O). Tweede druk. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Doppert, J.W.Chr., G.H.J Ruegg, C.J. van Staalduinen, W.H. Zagwijn & J.G. Zandstra, 1975, Formaties van het Kwartair en Boven-Tertiair in Nederland. In: W.H. Zagwijn & C.J. van Staalduinen (red.), Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Hodgson, G.E., 1989, Microfacies of the Late Cenozoic southern North Sea. Ph.D. thesis , University of East Anglia, 431 pp.

Keizer, J. & W.J. Letsch, 1963, Geology of the Tertiary in The Netherlands. Verh. K.N.G.M.G. Vol. 21-2: 147-172.

Pannekoek, A.J. (red.), 1956, De geologische geschiedenis van Nederland. Toelichting bij de geologische overzichtskaart van Nederland op de schaal 1:200.000. Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf, 's-Gravenhage.

Spaink, G., 1975, Zonering van het mariene Onder-Pleistoceen en Plioceen op grond van mollukenfauna's. In: Zagwijn W.H. & C.J. van Staalduinen (red.), Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 118-122.

Van den Berg, M.W. & P. Gaemers, 1993, Tertiair. In: Van den Berg, M.W. & C. den Otter, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Almelo Oost/Denekamp (28O/29). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Van Rummelen, F.F.F.E., 1970, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Schouwen-Duiveland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Van Rummelen, F.F.F.E., 1972, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Walcheren., Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Van Rummelen, F.F.F.E., 1977, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Bladen Zeeuwsch-Vlaanderen West en Oost. Tweede druk. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Van Rummelen, F.F.F.E., 1978, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Beveland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Wouters, L. & N. Vandenberghe, 1994, Geologie van de Kempen. Een synthese. NIRAS, NIROND-94-11, Brussel.

Zagwijn, W.H. & C.J. van Staalduinen (red.), 1975, Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.



Verwijzen naar de Nomenclator:
[Auteurs], [Jaartal]. [Naam van de stratigrafische eenheid]. In: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond. Retrieved [Datum] from [Url].