Formatie van Beegden

 

Beschrijver W.E. Westerhoff & H.J.T. Weerts (download pdf)
Laatst bijgewerkt Maart 2003
Naam Beegden
Rang Formatie
Naam van de moedereenheid Boven Noordzee
Rang van de moedereenheid Groep
Code BE
Oorsprong Naam De eenheid wordt nieuw ingevoerd.

 

Beschrijving lithologische kenmerken

Algemeen
  • Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, overwegend kalkloos, grijs en blauwgrijs. Indien de bovenkant aan of nabij het oppervlak ligt, treedt als gevolg van neerslag van ijzerhydroxiden meestal een sterke roodbruine kleuring op.
  • Grind, fijn tot zeer grof (2 - 63 mm), zwak tot uiterst zandig, grijs en blauwgrijs, overwegend kalkloos.
Dominant
  • Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, overwegend kalkloos, grijs en blauwgrijs. Indien de bovenkant aan of nabij het oppervlak ligt treedt als gevolg van neerslag van ijzerhydroxiden meestal een sterke roodbruine kleuring op.
Ondergeschikt
  • Grind, fijn tot zeer grof (2 - 63 mm), zwak tot uiterst zandig, overwegend kalkloos, met name in lag-deposits aan de basis van de formatie.
  • Zand, matig fijn tot matig grof ( 150 - 300 &mciro;m), overwegend kalkloos, roodbruin, met fining- upward trend.
  • Leem, zwak tot sterk zandig, kalkloos tot kalkhoudend. Indien aanwezig aan of nabij het oppervlak treedt als gevolg van neerslag van ijzerhydroxiden meestal een sterke roodbruine kleuring op.
  • Klei, zwak siltig tot sterk zandig, kalkloos tot kalkrijk, blauwgrijs, vaak met dunne zandlaagjes.
  • Keien en blokken, in ‘lag-deposits’.
Sporadisch
  • Klei, zwak tot sterk siltig, sterk humeus tot venig, kalkloos, donkerbruin.
  • Veen, sterk kleiig tot mineraalarm, kalkloos, donkerbruin.

De klei- en veenlagen zijn over het algemeen dun (cm-dm) en komen voornamelijk voor in restgeulen.

 

Definitie en aard van de grenzen

Ondergrens De grens met de onderliggende formaties is over het algemeen scherp. De basis van de Formatie van Beegden bestaat vrijwel altijd uit een geulbodemafzetting van grind, zeer grof tot uiterst grof zand (420 -2000 µm), zwak tot sterk grindhoudend, veelal met keien en blokken. In de Roerdalslenk ligt de formatie op afzettingen van de Formatie van Sterksel. Tezamen met de kenmerkende ‘lag deposit’ aan de basis van de Formatie van Beegden vormen de roodbruine componenten (o.a. rode zandsteen, roze veldspaat e.d.) en het hoge glimmergehalte van de afzettingen van de Formatie van Sterksel een goed hulpmiddel bij het onderscheiden van de grens. In Zuid-Limburg en op de Peelhorst ligt de formatie op diverse oudere formaties en is de ondergrens altijd goed te bepalen door middel van de lag-deposit en het lithologisch contrast met de onderliggende eenheden.
Bovengrens De afzettingen dagzomen in een groot deel van hun verbreidingsgebied. Daar waar de afzettingen door jongere formaties worden bedekt, varieert de aard van de bovengrens. In Midden-Nederland worden de afzettingen bedekt door fluviatiel zand en grind van de Formatie van Kreftenheye. De grens met deze afzettingen is niet altijd duidelijk aan te geven. Op de Peelhorst en in de Roerdalslenk is de grens met de bedekkende fijne eolische zanden van de Formatie van Boxtel over het algemeen scherp en duidelijk. In een brede strook langs het huidige Maasdal is de bovengrens met het bovenliggende eolische zand van de Formatie van Boxtel onduidelijk als de Laag van Wijchen (klei en leem) aan de top van de Formatie van Beegden slecht is ontwikkeld of ontbreekt.

 

Overige kenmerken

Kenmerkende eigenschappen Binnen de formatie zijn duidelijke fining-upward cycli aanwezig met aan de basis daarvan veelal een grindrijk ‘lag deposit’. Met uitzondering van de jongste cyclus in het dagzomende deel van de formatie is de top van deze cycli over het algemeen geërodeerd.
Het grind en grof zand van de formatie wordt naast melkkwarts gekenmerkt door groenachtige, grijze en zwarte componenten zoals onder andere leisteen, schist, grauwacke, zandsteen, kwartsiet en opake ertskorrels. Ook niet afgeronde vuurstenen komen veelvuldig voor. Roodbruine componenten komen sporadisch voor. In de grovere grindfracties en als stenen zijn gesteenten uit de Ardennen en Vogezen te herkennen, zoals Burnotconglomeraten, Revinien kwarstiet en Vogezen granieten.
De zware mineralensamenstelling wordt gekenmerkt door het voorkomen van stabiele mineralen (toermalijn, metamorfe mineralen, rutiel, zirkoon, anataas) samen met instabiele mineralen (o.a. granaat, epidoot, hoornblende). De verhouding tussen beide mineraalgroepen varieert sterk van plaats tot plaats. Geen van beide mineraalgroepen is, binnen de formatie als geheel, dominant. Onder in de formatie is de aanwezigheid van groene hoornblende karakteristiek terwijl in het hogere deel van de formatie de aanwezigheid van chloritoïd kenmerkend is.
Regionale lithologische verschillen Op grond van hun stratigrafische positie en lithologische samenstelling is elk terras afzonderlijk als Laagpakket ondergebracht in deze formatie. Hierbij is de indeling van Felder & Bosch (1989) gevolgd met uitzondering van de Afzettingen van Oost-Maarland, die als afzonderlijk Laagpakket binnen de Formatie van Beegden wordt onderscheiden. In de Roerdalslenk tussen Veghel en ’s-Hertogenbosch bevindt zich aan de bovenkant van de formatie een wijd verbreide kleilaag (Laag van Rosmalen) met soms een lokale veenlaag. Op de Peelhorst en in de Roerdalslenk worden de afzettingen van de formatie gekenmerkt door een grindhoudend basaal gedeelte. In Zuid-Limburg wordt de bovenkant van de formatie gevormd door een zwak tot sterk zandige bruine leemlaag van 1-3 m dik. Direct langs de Maas in de Roerdalslenk en op de Peelhorst komen aan de bovenkant eveneens kleilagen voor. Ook aan de top van de laat-glaciale terrassen langs de Maas komt veelal een zwak tot sterk zandige leemlaag voor (Laag van Wijchen).

Binnen de formatie worden de volgende eenheden formeel onderscheiden:
  • Laag van Rosmalen; zwak zandige tot zwak siltige klei met plaatselijk een veenlaag. De klei vormt een min of meer aaneengesloten voorkomen in het noordoostelijk deel van de Roerdalslenk.
  • Laag van Wijchen; zwak tot sterk zandige leem en klei, overwegend roodbruin van kleur en kalkloos, plaatselijk humeus tot sterk venig, over het algemeen minder dan 1 m dik.
  • Laagpakket van Oost-Maarland; de afzettingen van de Maas die in Zuid-Limburg het jongste terras van de Maas vormen. Ze bestaan uit grindrijke afzettingen met een 1-3 m dik dek van zwak en sterk zandige leem. De afzettingen zijn overwegend kalkarm tot kalkrijk.
  • Laagpakketten van Caberg, Crapoel, Gronsveld, Kosberg, Margraten, Noorbeek, Rothem, Sibbe, Simpelveld, St. Geertruid, St. Gravenvoeren, St. Pietersberg en Valkenburg; zeer grof tot uiterst grof zand met veel grof grind, stenen en blokken. Klei en grove zandlenzen komen voor. Lokaal ligt aan de top van de laagpakketten leem en/of klei.
Dikte De dikte van de afzettingen varieert van minder dan 1 m tot circa 40 m.

 

Typelocatie(s)

Holostratotype Boring 58D0203 te Ool-Herten (pdf), traject 0,00 - 26,50 m beneden maaiveld.
 

Holostratotype 58D0203 van de Formatie van Beegden (klik op de afbeelding voor vergroting)

 

Geografische verbreiding

Geografische verbreiding van de Formatie van Beegden
Geografische verbreiding van de Formatie van Beegden (open in pdf)

Genese voor zover relevant voor de faciësinterpretatie

De gehele formatie bestaat uit afzettingen die door de Maas zijn neergelegd. Het materiaal van de rivierafzettingen werd aangevoerd vanuit de Ardennen, Noord-Frankrijk en de Vogezen.

Samenhang met andere lithostratigrafische eenheden

Relatie tot andere eenheden In België worden de afzettingen van de Formatie van Beegden tot de alluviale vlakte, het Terras van Geistingen en het Terras van Mechelen a/d Maas gerekend (Paulissen, 1973). In de Nederrijnse Bocht correleren de afzettingen van de Formatie van Beegden met het “Maas-deel” van de Tegelen Schichten (Klostermann, 1992); de noordoostelijke voortzetting van de afzettingen van Kosberg, Crapoel, Noorbeek en Simpelveld. In Zuid-Limburg worden de fluviatiele afzettingen van de Maas in de huidige riviervlakte tot het Laagpakket van Oost-Maarland gerekend. De overige afzettingen van de Maas in Zuid-Limburg worden op grond van hun stratigrafische positie tot diverse laagpakketten gerekend.
Mogelijke verwarring met andere eenheden Bij de samenvloeiing van de Niers en de Maas bij Gennep gaan de afzettingen van de Formatie van Beegden over in de Formaties van Kreftenheye en Echteld. Vanaf dit punt bestaan de laatst genoemde afzettingen zowel uit door de Maas als door de Rijn aangevoerd materiaal. Tijdens de fase van maximale landijsuitbreiding in het Saalien liep de hoofdafvoer van de Rijn door het Niersdal. Stroomafwaarts van de samenvloeiing van Maas en Niers snijdt de Maas afzettingen van de Rijn aan. Bijmenging van Rijnmateriaal treedt al op tussen Arcen en Bergerheide door aansnijding van afzettingen van het Laagpakket van Well (Formatie van Kreftenheye).
De afzettingen van de Laag van Wijchen dagzomen voor een deel in het Maasdal. Ten noorden van de samenvloeiing met de Niers zijn de afzettingen van de Laag van Wijchen blijvend te vervolgen. Hier wordt deze laag als onderdeel van de Formatie van Kreftenheye beschouwd.
Het onderste deel van de Formatie van Beegden, de voormalige Formatie van Veghel cf. Doppert et al. (1975), vertandt in midden Nederland met afzettingen van de Formatie van Urk. Op grond van de samenstelling van het grind en hun kalkloosheid (Van de Meene et al., 1988) kunnen de afzettingen van de Formatie van Beegden van die van de Formatie van Urk worden onderscheiden.

 

Relatie tot eerder beschreven eenheden

Naam van de eerder beschreven eenheden De nieuw ingevoerde Formatie van Beegden omvat alle afzettingen van de Maas in Nederland. De Formatie van Beegden omvat de afzettingen van de Formatie van Veghel cf. Doppert et al. (1975) en de Formatie van Kreftenheye en de Betuwe Formatie cf. Doppert et al. (1975) stroomopwaarts van de confluentie van de Maas en de Niers. Het jongste deel van de terrasopeenvolging in Zuid-Limburg (Afzettingen van Oost-Maarland cf. Felder & Bosch, 1989) maakt thans ook deel uit van de Formatie van Beegden (Laagpakket van Oost-Maarland).
De door Zonneveld (1958) en Van den Toorn (1960, 1967) beschreven afzettingen van de Formatie van Veghel (A, B en C) zijn volledig opgenomen in de Formatie van Beegden. Afzettingen van de Zone van Veghel, Zone van (Grubbenvorst-)Horn en een deel van de Zone van Kreftenheye cf. Zonneveld (1947) en Doppert & Zonneveld (1958) worden thans ongedifferentieerd tot de Formatie van Beegden gerekend.
Alle Maasterrassen in Zuid-Limburg, inclusief het oudste deel van de terrasopeenvolging in Zuid-Limburg dat door Doppert et al. (1975) tot de Kiezeloöliet Formatie werd gerekend, worden thans als Laagpakketten binnen de Formatie van Beegden onderscheiden.
Oorspronkelijke literatuurverwijzing Niet van toepassing.

 

Ouderdom

Plioceen tot en met Holoceen.

Literatuur

Doppert, J.W.Chr., G.H.J. Ruegg, C.J. van Staalduinen, W.H. Zagwijn & J.G. Zandstra, 1975, Formaties van het Kwartair en Boven-Tertiair in Nederland. In: Zagwijn, W.H. & C.J. van Staalduinen (red.), Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 11-56.

Doppert, J.W.Chr. & J.I.S. Zonneveld, 1955, Over de stratigrafie van het fluviatiele Pleistoceen in West-Nederland en Noord-Brabant. Meded. Geol. Sticht., N.S. 8: 13.

Felder, W.M. & P.W. Bosch, 1989, Geologische kaart van Zuid-Limbuerg en omgeving. Afzettingen van de Maas. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Klostermann, J., 1992, Das Quartär der Niederrheinischen Bucht. Geologisches Landesamt Nordrhein-Westfalen, Krefeld.

Paulissen, E., 1973, De morfologie en de kwartairstratigrafie van de Maasvallei in Belgisch Limburg. Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone kunsten van België, Klasse der Wetenschappen, jaargang XXXV 127: 1-266.

Törnqvist, T.E., H.J.T. Weerts & H.J.A. Berendsen, 1994, Definition of two new members in the upper Kreftenheye and Twente Formations (Quaternary, the Netherlands): a final solution to persistent confusion? Geologie & Mijnbouw 72: 251-264.

Van de Meene, E.A., M. van Meerkerk & J. van der Staay, 1988, Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Utrecht Oost (31O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Van den Toorn, J.C., 1960, Een geologische excursie rond Deurne (N-Br). Jaarversl. Geol. Sticht. 1960: 50-57.

Van den Toorn, J.C., 1967, Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Venlo West. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Zagwijn, W.H., 1963, Pleistocene stratigraphy in the Netherlands, based on changes in vegetation and climate. Verh. Kon. Ned. Geol. Mijnbouwk. Gen., Geol. Serie 21-2: 173-196.

Zandstra, J.G., 1967, Aanvullend onderzoek van boringen ten oosten van de Maas in Midden-Limburg. Intern Rapport SP 122, Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Zonneveld, J.I.S., 1947, Het kwartair van het Peelgebied en de naaste omgeving. Een sedimentpetrologische studie. Mededelingen Geologische Stichting, Serie C-VI-3: 1-223.

Zonneveld, J.I.S., 1958, Litho-stratigraphische eenheden in het Nederlandse Pleistoceen. Mededelingen van de Geologische Stichting, Nieuwe Serie 12: 31-64.



Verwijzen naar de Nomenclator:
[Auteurs], [Jaartal]. [Naam van de stratigrafische eenheid]. In: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond. Retrieved [Datum] from [Url].