Formatie van Dongen

BeschrijverF.D. de Lang(download pdf)
Laatst bijgewerktMaart 2003
NaamDongen
RangFormatie
Naam van de moedereenheidOnder Noordzee
Rang van de moedereenheidGroep
CodeDO
Oorsprong NaamDe naam van de formatie is ingevoerd door NAM & RGD (1980) en verwijst naar de plaats Dongen in Noord-Brabant, in de buurt waarvan zich de typeboring bevindt. De definitie is aangepast door Van Adrichem Boogaert & Kouwe (eds.,1993).

Beschrijving lithologische kenmerken

Algemeen
  • Klei, groen en bruin.
  • Zand, uiterst en zeer fijn (63-150 µm), groengrijs en grijsgroen, veelal glauconiethoudend, zandsteenbanken.
  • Klei, grijs en groengrijs.
De zanden gaan naar het noorden en noordwesten over in mergels. Aan de basis van het onderste kleipakket komt in het zuiden en midden van Nederland een dunne laag uiterst fijn tot matig fijn zand (63-210 µm) voor. Ten zuidoosten van de lijn Tilburg - den Bosch komt zeer fijn zand voor met ‘coarsening-upwards sequenties’ en met inschakelingen van matig grof zand. Dat zand gaat in noordelijke richtingen over in een klei met tuflagen.
Dominant
  • Klei, bruin tot (groen-)grijs of blauwgrijs, kalkloos.
  • Klei, (groen-)grijs, kalkhoudend tot kalkrijk, variabel glauconietgehalte.
  • Zand, groengrijs tot grijsgroen, kalkrijk, variabel glauconietgehalte.
Ondergeschikt
  • Zand, uiterst tot zeer fijn (63-150 µm), groengrijs, kalkloos of kalkarm, variabel glauconietgehalte.
  • Klei, grijsbruin, zandig.
  • Mergel, grijsgroen tot groengrijs of bruingrijs, variabel glauconietgehalte.
  • Leem, bruin tot (groen-)grijs, variabel kalk- en glauconietgehalte.
  • Klei, roodbruin.
Sporadisch
  • Zand, uiterst fijn tot zeer fijn (63-150 µm), wit, veel houtresten.
  • Zand, uiterst fijn (63-105 µm), bruin, humeus.
  • Zand, (donker-)groen tot groenzwart, sterk glauconiethoudend (zogenoemd “glauconietzand”).
  • Klei, donkergrijs, humeus.
  • Zand, uiterst fijn tot zeer fijn (63-150 µm), ligniethoudend, bruingrijs.
  • Tuf, blauwgrijs tot (grijs-)violet.
  • Mergel, wit.
  • Kalksteen, (groen-)grijs.
  • Kalkzandsteen, (groen-)grijs.
  • Klei, groen, glauconietrijk.
  • Nummulietenbanken.
  • Zand, matig grof (210-300µm), glauconiethoudend, grijsgroen en groengrijs.
  • Leem, geel.

Definitie en aard van de grenzen

OndergrensDe formatie ligt meestal concordant op de Formatie van Landen of discordant op mesozoïsche afzettingen. De grens is in het algemeen scherp, waarbij de basis van de eenheid gekarakteriseerd wordt door het voorkomen van tufrijke klei of matig fijn tot matig grof zand. Alleen waar de basis van de formatie zandig ontwikkeld is en op het Laagpakket van Reusel van de Formatie van Landen ligt, is de grens moeilijk te bepalen.
BovengrensDe formatie wordt discordant bedekt door jongere afzettingen, meestal afzettingen van de Formatie van Rupel, soms de Formatie van Breda en bij uitzondering jongere afzettingen. De top is meestal kleiig ontwikkeld. De basis van de Formatie van Rupel is in het algemeen zandig en de basis van de Formatie van Breda zandig of zeer rijk aan glauconiet. Waar de top van deze eenheid en de basis van de Formatie van Rupel uit klei bestaan, is het moeilijk om de grens op grond van macroscopische eigenschappen vast te stellen.
In het gebied van het ‘Southern Early Tertiary High’, een oost-west gericht hoog waar de formatie (groten)deels is geërodeerd, ontbreken plaatselijk de kleien aan de top van de formatie. De top van de formatie bestaat uit kalkrijke zanden; de bovenliggende zanden van de Laag van Berg (Laagpakket van Bilzen, Formatie van Rupel) zijn kalkarm of kalkloos.
In oostelijk Twente komt de formatie voor in gestuwde positie.

Overige kenmerken

Kenmerkende eigenschappenNiet van toepassing
Regionale lithologische verschillenBinnen de Formatie van Dongen wordt een aantal laagpakketten onderscheiden:
Laagpakket van Asse; Klei, plastisch, kalkarm tot kalkloos, donkergrijs of blauwgrijs, aan de basis glauconiethoudend. In de randzone van het bekken komen enkele zandlagen voor. Ook de basis is daar zandig en bevat schelpen en Nummulieten.
Laagpakket van Brussel; Zand, fijn, grijsgroen tot groengrijs, glauconiethoudend tot glauconietrijk met ingeschakelde harde kalkzandsteenlagen.
Laagpakket van Ieper; Klei, vet, hard, brokkelig, grijs en bruin, onderste deel overwegend kalkloos, middelste en bovenste deel kalkhoudend tot kalkrijk. Verharde lagen mergel, kalk en kalkzandsteen.
Laagpakket van Oosteind; Zand, fijn, kleiig, kalkloos, groengrijs en klei, zeer zandig met tuflaagjes en tuflenzen. Binnen het Laagpakket van Oosteind wordt de "Basaal Dongen Tuffiet" als laag onderscheiden.
DikteDe maximale dikte wordt geschat op ca. 700 m. In erosiezone snel afnemend tot nihil.

Typelocatie(s)

HolostratotypeHolostratotype: Boring Dongen-1 (NAM) te Dongen, traject 691,00 – 993,00 m beneden rotatietafel.

Holostratotype Dongen-1 (NAM) van de Formatie van Dongen (klik op de afbeelding voor vergroting)

Geografische verbreiding

Geografische verbreiding van de Formatie van Dongen
Geografische verbreiding van de Formatie van Dongen (open in pdf)

Genese voor zover relevant voor de faciësinterpretatie

De formatie is marien. Tijdens de vorming van het eerste deel van de afzettingen van de Formatie van Dongen had de (Noord)zee naar het zuiden haar grootste verbreiding (tot voorbij Parijs). De overwegend kleiige sedimenten zijn in een zee afgezet met een waterdiepte tot 200 meter (Laagpakket van Ieper, Asse en Oosteind). De zanden van Brussel zijn onder estuariene omstandigheden afgezet toen het Noordzeebekken nog in verbinding stond met het Bekken van Parijs (Houthuys, 1990).

Samenhang met andere lithostratigrafische eenheden

Relatie tot andere eenhedenNiet van toepassing
Mogelijke verwarring met andere eenhedenDe afzettingen van de Formatie van Dongen komen overeen met de Ieper Groep (Formatie van Kortrijk en Formatie van Tielt) en de Zenne Groep (Formatie van Brussel en Formatie van Lede) in België.

Relatie tot eerder beschreven eenheden

Naam van de eerder beschreven eenhedenDe onderverdeling van de Formatie van Dongen wijkt licht af van die volgens Van Adrichem Boogaert & Kouwe (eds., 1993). Om puur nomenclatorische redenen wordt het ‘Basal Dongen Sand Member’ herbenoemd als het Laagpakket van Oosteind. Het ‘Basal Dongen Tuffite Member’ wordt onder de voorlopige naam “Basaal Dongen Tuffiet” als Laag binnen het Laagpakket van Oosteind onderscheiden.
Oorspronkelijke literatuurverwijzingNAM & RGD, 1980, Stratigraphic nomenclature of The Netherlands. Verh. Kon. Geol. Mijnbouwk. Gen., 32, 1-77.

Ouderdom

Eoceen, Yprésien tot Bartonien. Foraminiferen zones FH en FI (Doppert & Neele, 1983), Nannoplanktonzones NP 10-16, vermoedelijk ook tijdsequivalent van NP 17, maar die zone is nooit aangetoond.

Literatuur

Doppert, J.W.Chr. & N.G. Neele, 1983, Biostratigraphy of marine Paleogene deposits in The Netherlands and adjacent areas. Meded. Rijks Geol. Dienst, 37(2): 1-79.

Kaasschieter, J.P.H., 1961, Foraminifera of the Eocene of Belgium. Verhand. Kon. Belg. Inst. Natuurwet. 147: 1-271 m.16 pl.

Houthuys, R., 1990, Vergelijkende studie van de afzettingsstruktuur van getijdenzanden uit het Eoceen en van de huidige Vlaamse Banken. Leuven Aardkundige Mededelingen, University Press, 5, 137 p.

Leyzers-Vis, C.I., 1982, Geologische inventarisatie van tertiaire afzettingen in Zuid-Nederland t.b.v. ondergrondse opslag en winning van warmte. Rijks Geol. Dienst, rapport 82DS22.

Leyzers-Vis, C.I. & H. Speelman, 1983, Geologische en hydrogeologische inventarisatie van tertiaire en onder-kwartaire afzettingen in Midden-Nederland t.b.v. ondergrondse opslag en winning van warm water. Rijks Geol. Dienst, rapport 83KA20EX.

Maréchal, R. & P. Laga (red.), 1988, Voorstel lithostratigrafische indeling van het Paleogeen. Nationale Commissies voor stratigrafie, commissie: Tertiair.

NAM & RGD, 1980, Stratigraphic nomenclature of The Netherlands. Verh. Kon. Geol. Mijnbouwk. Gen., 32, 1-77.

Ten Dam, A., 1944, Die stratigrafische Gliederung des Niederländischen Paläozäns und Eozäns nach Foraminiferen (mit ausnahme von Süd-Limburg). Meded. Geol. Stichting, C, V (3), 1-142 m. 6 pl.

Van Adrichem Boogaert, H.A. & W.F.P. Kouwe, (eds.), 1993, Stratigraphic nomenclature of the Netherlands, revision and update by RGD and NOGEPA: Tertiary. Meded. Rijks Geol. Dienst, 50: 1-39, annexes I-1-6.

Van den Berg, M.W. & P.A.M. Gaemers, 1993, Tertiair. In: Van den Berg, M.W. & C. den Otter, Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, blad Almelo Oost/Denekamp(28O/29), p. 35-86.

Van Doorn, Th.H.M. & H. Speelman, 1984. Geologische en hydrogeologische inventarisatie van tertiaire en onder-kwartaire afzettingen in Noord-Nederland t.b.v. ondergrondse opslag en winning van warm water. Rijks Geol. Dienst, rapport 84KAR08EX.

Van Doorn, Th.H.M., C.I. Leyzers Vis, N. Salomons, W. van Dalfsen, H. Speelman, H. en W. Zijl, 1985, Aardwarmtewinning en grootschalige warmteopslag in tertiaire en kwartaire afzettingen. Rijks. Geol. Dienst, rapport 85 KAR02EX.



Verwijzen naar de Nomenclator:
[Auteurs], [Jaartal]. [Naam van de stratigrafische eenheid]. In: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond. Retrieved [Datum] from [Url].