Een referentiepunt heeft betrekking op de locatie en diepte van een meting.
Bij een booronderzoek worden de dieptes en diepteintervallen gebruikelijk ten opzichte van NAP gegeven. Monsterdiepten of laaggrenzen in een boring worden meestal gegeven in diepten vanaf maaiveld of vanaf de bovenkant van een meetbuis. Bij een sondeeronderzoek worden de dieptes en diepteintervallen ten opzichte van een referentiepunt gegeven. Voorbeelden hiervan zijn sondeerplatform, maaiveld en waterbodem.
Bij een grondwateronderzoek wordt een lokaal verticaal referentiepunt gebruikt. Dit heeft altijd een hoogte ten opzichte van een permanent verticaal referentievlak, zoals NAP. Een voorbeeld is de bovenkant van een peilbuis, die als lokaal verticaal referentiepunt gebruikt is voor het meten van een grondwaterstand.