TNO - Kennis voor zaken
 
 
 
 
 

Algemeen

Voor inzicht in de oppervlaktewaterproblematiek is kennis omtrent de kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewater van groot belang. Oppervlaktewater omringt ons bijna overal, in kleine greppels, in grote waterlopen zoals de Rijn en Maas, maar zeker ook in de vorm van grotere wateroppervlakten als de meren en uiteraard de Noordzee.
Door TNO-NITG zijn in het recente verleden, veelal op verzoek van waterschappen maar ook op verzoek van organisaties zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, oppervlaktewaterpeilen in de grondwaterdatabase opgenomen.

Een goed voorbeeld waar grondwater en oppervlaktewater elkaar beïnvloeden is het volgende probleem.

Eutrofiëring en verzilting van het oppervlaktewater vormen in West-Nederland een probleem. Succesvolle bestrijding ervan vraagt om kennis van de antropogene bronnnen. Kennis over de achtergrondbelasting door kwel en basisbodemuitspoeling is echter ook onontbeerlijk.

De belasting door kwel is berekend door geologische en geohydrologische informatie rechtstreeks te combineren met grondwateranalyses. Verzilting van het oppervlaktewater door kwel is potentieel een probleem in vrijwel alle laaggelegen polders in Holland . Wezenlijke verschillen doen zich op kleine schaal voor die bepaald worden door enerzijds het voorkomen van zoet versus brak of zout grondwater in het eerste watervoerende pakket en anderzijds de grootte van de weerstand van de deklaag. In kwelgebieden is de nutriëntenbelasting door kwel meestal veel groter dan de achtergrondbelasting vanuit de bodem. Een belangrijke uitzondering vormen de laagveengebieden met kwel in het rivierengebied, waar de belasting vergelijkbaar is.

Belangrijk in dit kader zijn de beleidsdoelen die door een organisatie als het RIVM worden opgesteld. Beleidsdoel is bijvoorbeeld het bereiken van concentraties van ongewenste stoffen beneden het maximaal toelaatbaar risiconiveau (zoet water ) en streefwaarden (zout water). Via het brongericht beleid streeft de overheid naar beperking van de emissies, onder meer door het afsluiten van internationale verdragen met onder andere Duitsland, België en Frankrijk. Met het effectgericht beleid besteedt de overheid aandacht aan bijvoorbeeld de zuivering van afvalwaterstromen.

De Europese Kaderrichtlijn Water zegt dat in 2015 een goede ecologische toestand van het oppervlaktewater bereikt moet zijn. Specifieke normen hiervoor moeten nog worden opgesteld.

Onderdeel van het beleidsdoel is het vaststellen van normen, met als voorbeeld:

MTR - Het maximaal toelaatbaar risiconiveau is de wetenschappelijk afgeleide waarde voor een stof, die aangeeft bij welke concentratie geen nadelig effect van die stof is te verwachten. Voor stoffen die van nature voorkomen wordt rekening gehouden met achtergrondniveaus. Het beleid richtte zich er in 2000 op overal in zoete wateren het MTR te hebben gerealiseerd.
Streefwaarde - De waarde die aangeeft wanneer sprake is van een verwaarloosbaar effect op het milieu. Deze waarde wordt meestal afgeleid van het MTR; voor stoffen die van nature voorkomen wordt rekening gehouden met achtergrondniveaus. Het beleid is er voor de zoete wateren op gericht zo mogelijk in 2010 de streefwaarde te hebben gerealiseerd. Voor zoute wateren is de streefwaarde nu al het doel.
Zwemwaternorm - Kwaliteitsniveau waaraan oppervlaktewater dat wordt gebruikt als zwemwater moet voldoen.
Viswaternorm - Kwaliteitsniveau waaraan oppervlaktewater moet voldoen als het de functie viswater heeft.
Schelpdierwaternorm - Voor water waarin schelpdieren gekweekt worden gelden aparte (met name microbiologische) normen (Europese richtlijn en Besluit kwaliteitsdoelstellingen en metingen).

Het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO bezit als centraal grondwaterinstituut reeds meer dan 40 jaren een nationale databank met gegevens en informatie over grondwater, oppervlaktewater en de ondergrond. Sinds kort zijn alle data met betrekking tot het grondwater, het oppervlaktewater en de geologie samengevoegd tot een centrale databank DINO (Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond).

De opvolger van OLGA: DINO Grondwater is een onderdeel van die centrale databank. Het bevat alle gegevens van grond- en oppervlaktewater, zoals gegevens over de plaats en diepte van meetpunten, administratieve gegevens en de resultaten van de metingen aan het grond- en oppervlaktewater. In totaal zijn er in DINO Grondwater circa 22 miljoen standen opgeslagen (waaronder een groot aantal metingen van oppervlaktewaterpeilen). Deze standen zijn gemeten op circa 20.000 locaties verspreid over het hele land. Een gedeelte van deze locaties (circa 4.000) wordt beheerd door SUN, een samenwerkingsverband van Staatsbosbeheer, Unie van Provinciale Landschappen en Natuurmonumenten.

DINO Grondwater wordt gebruikt door provincies, waterleidingmaatschappijen, waterschappen en ingenieursbureaus. Zij gebruiken het systeem om grond- en oppervlaktewatergegevens te raadplegen.

Er is een voorbeeld van een verstrekking beschikbaar.

U kunt op de startpagina een gegevenstype selecteren en een aanvraag doen, u kunt gebruik maken van de grafische selectie om gegevens te selecteren of u kunt doorgaan naar de pagina Selectiegegevens invoeren voor oppervlaktewaterstanden.

Email: info@dinoshop.nl